Het Passiespel van het Aquariustijdperk
|
|
Home | De Roep tot Ontwaken | Dienaren van het Goddelijk Plan |
Ongewone
Inzichten | Mystieke Leringen | |
|
Geloof
en Vertrouwen als
basis voor de zoektocht naar ons Ware Zelf Op
dit moment worden er mogelijkheden aangereikt voor een spiritueel
bewustzijn die ongekend zijn. Hoe geweldig deze gelegenheid is, wordt
pas goed duidelijk voor diegene die - hongerig naar Waarheid - is gaan
Zoeken. Wanneer iemand die stap zet, zal hij in al zijn vezels beseffen
dat ook hij als vanzelf antwoorden krijgt. Het is alsof hij geroepen
wordt en hij zich in wezen voorbereidt om te kunnen luisteren naar die
“stille stem” die hem iets toe wil fluisteren. Dit is het antwoord
op de wens te willen zoeken naar de oorsprong van alles en naar onze
Ware Zelf. Dit leidt ertoe dat wij ons stilaan realiseren dat alles om
ons heen van een hogere orde is, dat wat we aanschouwen één van de
veelzijdige aspecten is van de hele Schepping. Wij zullen merken dat er
naast onze bestaande zichtbare wereld, ook nog hele andere werelden
zijn, geschapen door dezelfde Geest en we gaan ons diep realiseren dat
er bovenal nog een Goddelijk Koninkrijk bestaat waar ieder individu zijn
oorsprong vindt. We gaan ons realiseren dat we een aspect van die Bron
in dat Koninkrijk zijn en we krijgen het gevoel dat we die band weer
willen herstellen. We gaan ons realiseren dat de Schepper alomvattende
Liefde en Wijsheid is. We voelen dat we weer terug willen en ons willen
verenigen met deze Liefde van God. Een waarlijke Hereniging na een lange
tijd. Een terugkeer naar HUIS. ~~~~ De
voorbereiding op deze tocht bestaat dus allereerst uit het beantwoorden
van deze Roep tot Zoeken en het terugvinden van die andere
levenshouding. Op dat moment begint er een proces van vertrouwen en
overgave om “op pad” te gaan. Een speurtocht naar binnen en buiten
ons waarbij op een gegeven moment duidelijk wordt dat men een
veranderingsproces ondergaat dat zich richt op losmaken, onthechten. Van
bekende en nog onbekende dingen. Dit vergt vertrouwen en geloof want we
ondergaan spirituele en ook persoonlijke veranderingen in lijn met het
grote veranderingsproces van de hele planeet. Alles raakt los en niets
is meer bestendig. Tijdens het zoeken lijkt het alsof niet alleen maar
plezierige dingen ons overkomen. We zien bijvoorbeeld vertrouwde dingen
om ons wegvallen, zaken ogenschijnlijk in elkaar storten. Zelfs door ons
gekoesterde dromen vallen weg. Dit zijn de gevolgen van onze keuze om te
gaan zoeken. Al deze veranderingen worden ingeleid door een hogere
Intelligentie als antwoord op onze zoektocht. Deze Intelligentie geeft
Leiding om ons te laten wennen aan de komende veranderingen en ons
zodanig te prepareren dat wij straks zelf deze veranderingen gaande
kunnen houden. Het oude moet worden losgelaten en het Nieuwe aanvaard. ~~~~ Naarmate
ons bewustzijn toeneemt zien wij dat deze wereld niet is wat hij lijkt
en dat wij in deze wereld worden vastgehouden in een staat van
bewustzijn die ver af staat van ons goddelijk Zijn. Deze wereld komt
over als een groot schouwspel waar wij als acteurs, marionetten
meespelen in een toneelstuk. Langzamerhand ontstaat dan ook het gevoel
dat deze wereld niet ónze wereld meer is. En tenslotte zien we in dat
dit hele veranderingsproces niets anders blijkt te zijn dan een
reinigingsproces van dat wat zich als vanouds in ons heeft vastgezet.
Het voert ons naar een culminatiepunt van compleet leeg zijn. In deze
gevallen wereld is ons Ware Zelf, dat aspect van God, die goddelijke
vonk, omkleed door onze bekende fysieke gedaante (met meerdere
voertuigen) en voorzien van een persoonlijkheid en ego benodigd om deze
wereld te kunnen bewonen. En dit ego, deze persoonlijkheid, belemmert
ons in onze noodzakelijke zuivering. Sterker nog, dit ego kan ons niet
vergezellen bij de komende transformatie. Wij zullen na reiniging ook
dit ego los moeten laten. Pas wanneer wij schoon zijn, zonder karmische
resten en zonder ego kan ons ware Zelf opstaan en kunnen wij in onze
nieuwe onschuld toegang krijgen tot de nieuwe Wereld. ~~~~ Deze
zoektocht die ons voert in dit noodzakelijk veranderingsproces, brengt
ons de sleutelwoorden: GELOOF en VERTROUWEN. Vertrouwen in alle
veranderingen, vertrouwen in jezelf, vertrouwen in de medemens, geloof
in de goddelijkheid en vertrouwen dat jouw zoektocht de juiste is en dat
veranderingen daarbij onderdelen zijn die blijmoedig kunnen worden
aanvaard in het proces van losmaken en oprijzen als Nieuwe Mens. En een
diep Geloof komt dan naar boven. Uit “De Nieuwe Gnosis:” De
sleutel tot dit pad van Terugkeer is Geloof. In
onze moderne tijd is geloof teruggebracht tot een versleten en afgezaagd
principe. Wij verstaan nu onder geloof een acceptatie of een
geloofsbelijdenis van een bepaalde leer. En de mens is verder
‘orthodox’ als hij zich beroept op zware fundamentalistische
leerstellingen of omgekeerd ook op zeer ruime en zeer liberale
principes. We zien dat men dus in verschillende toonaarden kan geloven
of misschien juist wel helemaal niet kan geloven. Maar de Heilige
Schriften van alle tijden maken ons duidelijk dat geloof en vertrouwen
niet hetzelfde zijn als een geloofsbelijdenis of het accepteren van de
leer van een kerk, van een school of van een god. Het maakt duidelijk
dat een waar Geloof berust op iets dat men in zich heeft, zich heeft
toegeëigend en wat men zich terdege bewust is geworden. Met nadruk
mogen we stellen dat je gelooft met je hart en dat een waar Geloof zich
ook in ieders hart zal moeten vastzetten. Met andere woorden, de
goddelijke vonk die daar huist moet tot leven worden gebracht. Tot het
moment dat deze vonk is ontwaakt, is er geen sprake van geloof, want de
ware betekenis van ‘geloof ’ is Weten;en dit heeft niets van doen
met gespeculeer, gebaseerd op ergens in geloven in of in een hoopvol
begrijpen. Er bestaat niet iets als ‘blind geloof of een blind
vertrouwen’. Zonder echt Geloven wordt al het spirituele slechts
dualistisch gespeculeer, imitatie, een gevallen religie. Geloof
zoals hierboven is beschreven, is echt Geloven gebaseerd op ‘Weten’.
Het is ook een diep geworteld Vertrouwen in ons eigen Pad, dat gelijk
staat met kunnen liefhebben en liefde kunnen ontvangen. Het begint met
de grootste verandering die wij ondergaan: namelijk dat wij de stap
willen wagen om een nieuw Pad te bewandelen en ons willen overgeven om
te gaan zoeken. Het markeert de meest belangrijke fase in ons
hele leven. De fase dat wij ons open gaan stellen om de Realiteit te
ervaren en te weten wat werkelijk LEVEN is. Het is het begin van een
zoektocht naar ons ware Zelf. Een avontuur waarin het besef doorbreekt
dat alleen maar lief zijn voor elkaar niet meer voldoende is.
Voor deze stap is vertrouwen nodig. Maar
in hoevere durft de mens een afwijkende koers te varen? Durft hij wel
dingen te onderzoeken die anders zijn dan de alledaagse zaken van werk
en sociale relaties en het risico te aanvaarden dat vrienden hem niet
begrijpend aanstaren? Heeft hij voldoende vertrouwen? Beseft hij dat hij
zou kunnen worden getest? Beseft hij daarnaast dat er tegenwerkende
krachten zijn die hem onmiddellijk op alle mogelijke manieren van die
vreemde gedachten af willen helpen, die niet willen dat hij gaat zoeken
en wellicht de Waarheid vindt? Ja, wanneer iemand gaat zoeken ontstaat
het ‘risico’ dat vrienden wegvallen. Hij krijgt te maken met
ogenschijnlijke tegenslagen in de liefde of in andere situaties waardoor
iemands ‘vertrouwen’ een grote deuk kan krijgen. Of hij krijgt juist
veel mooie dingen aangereikt en gaat het juist bijzonder goed. Hij
krijgt het ofwel zwaar of hij wordt verleid naar gelang zijn
omstandigheden. Alles wordt gedaan om zijn vertrouwen in het ANDERE
leven, het WARE Leven te ondermijnen, om zijn vertrouwen te laten
omslaan in wantrouwen. En hadden we al niet begrepen dat wantrouwen een
deel vormt van deze wereld met al die ego’s en rivaliteit? Zonder
voldoende vertrouwen is de kans groot dat de serieuze zoeker weer
terugvalt in zijn oude levenspatroon en niet meer Wil veranderen. ~~~~ Willen
veranderen betekent vertrouwen hebben dat goede keuzes worden gemaakt.
En veranderen is een bittere noodzaak in deze tijden. Wij gaan niet ten
onder als wij veranderen; wij gaan juist ten onder als wij Niet
veranderen. Door te veranderen komt een heel reinigingsproces op gang
van alles dat niet waarachtig is, dat onzuiver is, dat wat ons zal
hinderen op onze zoektocht. Het is de bereidheid om te onthechten, ALLES
durven loslaten dat achterhaald en oud is of zal blijken te zijn. Dit
betreft relaties, vrienden, ouders, werkkring, kerk, filosofieën,
maatschappijdenkbeelden, zelfs spirituele concepten, noem het maar op.
Want alles wordt omgegooid en krijgt een andere betekenis. Kunnen we dit
aan? Hebben wij de bereidheid hiertoe? Kunnen we VERTROUWEN stellen in
dit grote avontuur? ~~~~ Er
is maar één manier om dit vertrouwen te verkrijgen. We zullen een
volstrekt andere richting moeten opkijken. Een richting vooruit en
omhoog naar iets dat ons lonkt en dat ons vertrouwen schenkt. Iets dat
we niet kunnen beredeneren, iets dat in ons hart hunkert. Iets dat niet
van deze wereld is. Iets dat niet past in onze huidige wereld met al die
luidruchtige, lawaaierige ego’s die hun ego-drama’s als vanouds
uitspelen. Het is iets dat zingt in jouw en mijn hart en dat vertrouwen
geeft om alles los te laten als dat nodig mocht zijn. Het is iets dat
goddelijk is. Iets dat past in een Nieuwe wereld. Je kunt Vertrouwen dat
de grote veranderingen die ook in jouw leven zullen (moeten) gaan
plaatsvinden goed zijn, een doel dienen en jou daar zullen afzetten waar
jij om gevraagd had toen jij incarneerde. Vertrouw dat jij jouw Pad in
liefde hebt teruggevonden en aanvaard omdat deze tocht deel uitmaakt van
de zoektocht naar jouw Ware Zelf dat als een nieuwe zon opkomt en gaat
schijnen. Vertrouw erop dat alles wat zich manifesteert Goddelijk is en
dat Hij daar is om Lief te hebben. Vertrouwen is Weten dat Hij van jou
houdt en dat Hij naar jou toekomt als jij een stap in zijn richting zet.
Je kunt er op Vertrouwen dat wanneer jouw Ware Zelf dit verlangt, jij
het Enige Ware Doel in het bestaan van de mens zult kunnen bereiken: het
opbouwen van een Nieuwe Wereld en om Een te kunnen worden met Gods
Liefde, de ware Bevrijding via transfiguratie. Het is een innerlijk
‘weten’, dat waarlijk Vertrouwen gelijk staat met Overgave, Eenheid
en Liefde. nieuwe
maandelijkse rubriek: Heilige
Teksten Gnostisch
verklaard Wanneer
we de Heilige Schriften zoals bijvoorbeeld de Veda’s, de Bijbel, en de
Tao te Ching op de juiste, esoterische wijze interpreteren, kunnen we
zien dat zij een weergave vormen van de Gnosis, van de Goddelijke
Realiteit. We zien dan dat alle religies in hun kern één zijn, en dat
slechts door de diverse exoterische interpretaties het onderscheid en de
afscheiding ontstaat. Deze interpretaties komen voort uit het
versluierde, aardse, dualistische bewustzijn (ofwel onwetendheid.) Een
juiste interpretatie verkrijg je niet door jarenlange studie van het een
of ander geschrift, maar slechts door een bewustzijn dat het
dualistische denken overstijgt en hiermee afgestemd is op het Gnostische
Veld. Met deze nieuwe rubriek hopen wij de aloude Geschriften in een
nieuw daglicht te stellen, en de innerlijke vlam, en hiermee de drang om
te gaan Zoeken naar het Ware in eenieder wat extra op te laaien! ~~~~ We
zullen deze rubriek beginnen met een citaat uit de Westerse Bijbel dat
een zeer fundamentele Universele
[Gnostische] Wijsheid laat zien, maar dat slechts weinigen goed
begrijpen. Dezelfde fundamentele
Wijsheid zien we in de Tao Te Ching en in de oude Veda’s. Dit kan
natuurlijk ook niet anders, want de Waarheid is Universeel en slechts
Eenduidig te interpreteren. Slechts de woorden kunnen verschillen
afhankelijk van de Verlichte geest die de woorden sprak in dat
tijdsbeeld, in die omstandigheden, in die taal en die een bepaald
paradigma uitdroeg. Johannes
de Doper zei in [Joh 3:29-30]: “Hij die de bruid mag bezitten, is de
bruidegom; de vriend van de bruidegom staat te luisteren en is vol
vreugde als hij de bruidegom hoort. Nu is mijn vreugde volkomen. Hij
moet groter worden en ik kleiner. [Johannes
3:29-30] Even
daarvoor was Johannes opmerkzaam gemaakt door enkele van zijn leerlingen
op Jezus die ook doopte aan de andere kant van de Jordaan maar meer
aanhangers kreeg. Johannes zei echter tegen hen: “dat niemand iets
kon verwerven of het moet hem door de hemel [door God] zijn
geschonken”. Hiermee
legde hij zijn onvoorwaardelijke Geloof/Vertrouwen af in God. Hij gaf
aan dat Reiniging en de Mystieke Doop een Kosmisch proces is. Alleen
diegenen die beschikken over hoge spirituele kwaliteiten kunnen dit
doopritueel uitvoeren. Hij
rechtvaardigde zich bovendien met te zeggen: “ik ben de Messias
niet, ik ben [slechts] voor Hem uitgestuurd”. Johannes is slechts
de wegbereider voor opstanding van het Christusbeginsel in ieder mens.
Hij is weliswaar ingewijde maar niet de Christus. Als zodanig kan hij
slechts de weg wijzen en “vrijmaken” naar de Heer in het hart, de
innerlijke Christus. Hij mag een reinigingsritueel uitvoeren. Jezus
daarentegen was al de Christus, verkeerde in Christusbewustzijn en kon
daarom niet alleen iemand dopen [als reinigingsritueel], maar kon ook,
als Hij wilde, de mens totaal Verlossen, als die zich tenminste hiervoor
wilde openen. En
nu wordt het citaat duidelijk: “Hij
die de bruid mag bezitten, is de bruidegom….”.
De bruidegom is God die de nieuwe Mens, de innerlijke Christus die
volledig is ontwaakt en Verlicht (zoals Jezus ook was), tot bruid heeft
genomen. Jezus is als het grote voorbeeld voor de mensheid de
“bruid” geworden door het nieuwe Lichtkleed, of ook wel het
“Alchemisch bruidsgewaad”, dat Hem omhulde en is gemaakt tijdens de
eerste fasen van de Transfiguratie op het Pad. Jezus bezat die nieuwe
Lichtkleden [Lichtvoertuigen] en was daarmee als mens de “Nieuwe
Bruid” voor God. De Spirituele [ Verlichte] Jezus was dus
“getrouwd” of herenigd met God in de Oorspronkelijke Verbinding die
er altijd heeft bestaan. “de
vriend van de bruidegom staat te luisteren…..”
Johannes duidt op diegenen die de Gnostische taal verstaan, diegenen die
ontwaakt zijn, ingewijd zijn, maar nog niet de Christusbewustzijn hebben
ontvangen. Dit zijn de “vrienden” van de bruidegom, de ware
“vrienden” van God, de “kinderen” van God. “en
is vol vreugde als hij de bruidegom hoort…..”
Hij hoort Jezus de Christus preken en dopen en hoort de hoge vibratie
van de Waarheid in diens Woorden. Johannes, als alle ingewijden die het
Pad bewandelen, hoort
en voelt die vibratie en herkent daardoor de Universele Waarheid. Dat
vervult hem met een immens grote vreugde. Want wanneer de Waarheid wordt
gezien en gedeeld, zijn harten verbonden. “Nu
is mijn vreugde volkomen……”
Hij heeft de Messias ontmoet en als ingewijde verstaat hij Hem en zijn
hart is gevuld met Vreugde. Hij heeft een Ware ziel ontmoet. En Liefde
stroomt door hem. Hij
voegt er echter meteen aan toe: “Hij moet groter worden en ik
kleiner…..” Hij
Weet dat de mens zich moet voorbereiden voor dezelfde Hereniging met God
zoals Jezus demonstreerde door het volgen van het Korte Pad, het Pad van
Transfiguratie. Hij geeft die duidelijke boodschap af voor de weg die de
mens moet gaan om ook zover te komen. De innerlijke individuele
Christus, het Ware ZELF van de mens, moet groeien, en tot volle wasdom
komen als het lagere “zelf ”, het “ik” oplost: “Hij” [de
goddelijke vonk, de innerlijke Christus] moet groter worden en het ego,
de persoonlijkheid, het “ik”, moet kleiner worden. Een logische
Boodschap als we bereid zijn om ons ZELF te leren zien en de Waarheid
willen ontmoeten die leert over het onderscheid tussen die twee
belangrijke elementen in de mens. Dit
onderscheid tussen de twee delen van de mens begrijpt Johannes, de nu
ingewijde mens heel goed: het is het onderscheid tussen het lagere zelf,
de persoonlijkheid als mens, en de Christusvonk (het Ware ZELF) in
ieders hart die onder zekere omstandigheden de mens kan verheffen en
innerlijk goddelijk kan maken. Vanzelfsprekend is daartussen nog de
ziel, als intermediair tussen die twee, ook wel genoemd het zg hogere
Zelf. Dit hogere Zelf is niet zo interessant en is ook slechts een
tijdelijk voertuig voor de Christusvonk in ons hart. ~~~~ de
Eenvoud van de Waarheid fragment
uit het boek Dienaren van het Goddelijk plan De
Heer Boeddha verbleef op een dag in een woud in Kosambi, India waar hij
een paar bladeren in zijn hand nam en aan zijn discipelen vroeg: “Wat
denken jullie, O bhikkus?* Wat is meer - het paar bladeren in mijn hand
of de bladeren daar in het bos?”“Heer, de bladeren in de hand van de
Gezegende zijn zeer weinig,” antwoordde een discipel, “en inderdaad,
de bladeren in het bos zijn veel talrijker.” De Boeddha vervolgde,
“Zelfs als dat het geval is, bhikkus; van wat mij bekend is heb ik je
alleen maar een heel klein deel verteld; wat ik je niet heb verteld is
vele malen groter. En waarom heb ik je die dingen niet verteld? Omdat
dat niet bruikbaar is, het is niet essentieel verbonden met het
spirituele heilige leven en leiden je niet naar Nirvana. Daarom heb ik
je niet alles verteld.” De
Boeddha was niet geïnteresseerd om onnodige metafysische vragen te
bediscussiëren die wellicht denkbeeldige problemen en oeverloze
speculaties zouden kunnen oproepen. Hij beschouwde zulke onderwerpen als
“een wildernis van meningen”. Evenzo en om twee hele goede
redenen laat dit boek veel weg van wat tegenwoordig gretig
bediscussieerd, onderzocht, beschreven en onderwezen wordt wat betreft
het zich aandienende Nieuwe Tijdperk van Aquarius. Allereerst,
zelfs een duizendtal verhandelingen van encyclopedische omvang is niet
in staat alles over te dragen dat op occulte wijze in de wereld, ons
zonnestelsel en daarbuiten plaats vindt en dat direct verband houdt met
ofwel de Dienaren ofwel het Goddelijk Plan voor de Aarde op dit moment.
Hierdoor moet een uiteenzetting van een onderwerp zoals in dit boek
beschreven, noodgedwongen beperkt blijven en daarom in zekere zin niet
compleet. Ten
tweede, veel van wat tegenwoordig binnen de zeer wijde begrenzingen van
het New Age gedachtegoed valt, hoewel vaak fascinerend en zeer
opwindend, blijkt overbodig te zijn als we dit afzetten tegen de
onmiddellijke behoeften in de wereld. Onder de huidige overvloed aan
nieuwe informatie, zitten allerlei soorten kleurrijke verlokkingen en
deze kunnen leiden tot rusteloze opwinding, versluierde waarneming,
besmettelijke invloeden en daardoor onnodige afleiding van het meest
essentiële en relevante onderwerp van vandaag. De
Waarheid is eenvoudig, is dit altijd geweest en zal dit ook altijd zijn;
de essentie is inderdaad opgesloten in één heel fundamentele maar toch
diepzinnige formulering, namelijk dat Liefde de grootste hulp biedt
voor spirituele en evolutionaire vooruitgang. Bij het samenstellen
van dit enigszins technische werk hebben we op een zekere ogenblik ons
afgevraagd of de onthullingen die hierin verkondigd zijn, bepaalde
risico’s kunnen vormen voor sommige personen. Namelijk die personen
die de neiging hebben om op idealistische wijze gehecht te raken aan de
denkbeelden en idealen hierin. We hebben ons enige zorgen gemaakt over
de mogelijkheid dat wij ongewild verantwoordelijk zouden kunnen zijn
voor het helpen creëren van nieuwe denkbeeldige gevangenissen in de
vorm van concepten voor zoekers van de waarheid. Met dit in gedachten
willen wij de volgende wijsheid uit de Tao Te Tjing aanreiken: “Dat
wat kan worden
overgedragen met woorden is een concept van slechts een betrekkelijk
karakter; hoewel hieraan namen en ideeën kunnen zijn toegevoegd, is de
subtiele waarheid nooit te beschrijven.” -
Lao Tzu. Om
te vermijden, dat bepaalde individuen verstrikt raken in dezelfde
identieke hindernissen, die in elke tijdperk en cultuur hebben
verhinderd een heldere en ware spirituele visie te ontwikkelen, geven
wij er de voorkeur aan de lezer aan te raden dat, als hij of zij eenmaal
de feitelijke concepten, uiteengezet in dit boek, heeft begrepen en
daardoor geïnspireerd raakt, hij of zij er goed aan doet om dit alles
weer te vergeten en simpelweg onvoorwaardelijke liefde te praktiseren en
in te bouwen in hun leven. Het
is onze welgemeende bede dat de uiteenzettingen onthuld in dit werk,
herkend worden voor wat zij zijn en dat ze niet weer een andere
vervanger worden van de Werkelijkheid die alleen kan worden ervaren en
nimmer in concepten gevangen. Het is onze wens dat de principes en ideeën
die wij beschreven hebben niet worden beschouwd als een excuus om te
stoppen met het noodzakelijke, vreugdevolle en eeuwigdurende proces van
verderop en hogerop te zoeken. Het is de hoop van ons dat onze visie
uiteindelijk de Dienaren en vanzelf ook de mensheid helpt om die
allerhoogste heilige plaats van pure, onvoorwaardelijke liefde te
bereiken. Die plaats waar tijd raakt aan de Eeuwigheid, waar het
individuele hart samenvalt en klopt met het Universele Hart en waar de
simpele en onveranderlijke Heilige Waarheid zich openbaart in weten. De
Weg Naar GOD De
Weg naar God is het pad dat ons wegleidt van het zelf, van het ego, van
het intellect. Het zelf
is een concept, dat ons gescheiden houdt van God, en in Waarheid zijn we
niet gescheiden. Dus
het zelf moet eindigen om de Waarheid te kunnen vatten. Het
ego is het geloven in je eigen bestaan in een universum van vorm. Maar
in Werkelijkheid is er geen vorm en dus ook geen ego dat daarin leeft.
Het ego moet ophouden te bestaan om de Realiteit te kunnen benaderen. Via
het intellect vormen we een eigen interpretatie van de wereld om ons
heen. Door zijn aard steunt het de leugen dat we afgescheiden en
afzonderlijk zijn. Door zijn aard verbindt het ons met de demonen die
deze gevallen wereld controleren. Door zijn aard bevestigt het een
wereld van dualiteit en illusie. Dus het intellect moet eindigen opdat
we God zouden kunnen benaderen. Maar
dit is geen zelf-kastijding of vernedering; de dualiteiten moeten
overstegen worden, en de tegenstellingen genegeerd. Als ik, bijvoorbeeld
probeer het denken te stoppen, dan loop ik in de val van het “ik”
dat handelt. En het “ik” is niet in staat om veilig te handelen door
het groepsleven, door God’s Leven en door genade. Wie zou er zo gek
zijn om zijn ego te vertrouwen om egoloosheid te bewerkstelligen, of
zijn intellect te vertrouwen om z’n eigen aard te overstijgen? We
kunnen onszelf niet aan onze eigen schoenveters omhoog trekken. De
juiste benadering bestaat uit: Opoffering:
We moeten het idee dat we ons leven in eigen handen hebben, opofferen,
en vervangen door de impuls van Spirit. Groepsbewustzijn: We moeten het
idee dat we afgescheiden zijn, opgeven, en beseffen dat we in
groepsleven, in Spirit niet gescheiden zijn van elkaar. Dienstbaarheid:
Wanneer we het ego geofferd hebben en deelnemen aan het groepsleven, dan
kan de impuls van dienstbaarheid zich manifesteren. Dit is niets meer
dan het totaal onpersoonlijk volgen van de leiding van Spirit. Dan kan
de Liefde van God Zich uiteindelijk manifesteren. De meeste mensen
slapen en dromen inderdaad, en zij willen niet wakker worden. En
inderdaad, de tijd dringt. De rijpe zielen worden nu bijeengedreven. De
laatste Roep klinkt in elk deel van de wereld door, en roept al diegenen
die klaar zijn op om zich voor te bereiden op het einde van deze
beschaving. Dit donkere tijdperk, dit Kali Yuga, zal vervangen worden
door een nieuw gouden tijdperk - niet door de hand van mensen maar door
het Zwaard van God. Vraag
niet om Licht voor mij, maar vraag om de openbaring van de Wil van God
op Aarde. Vraag niet om Vrede voor mij. Laat de ziel liever eeuwig
rusteloos blijven tot hij gehoor geeft aan de kracht van het
Groepsleven. Vraag niet om Liefde voor mij, het “ik” is volgens
Goddelijke Wet voor eeuwig van die Liefde gescheiden, en de Vonk van
Spirit die Eén is met God, zal van die Liefde juist nooit gescheiden
kunnen worden. Want God is niet in “mij”, is niet in dit zelf en
niet in dit ego. God
kan slechts gevonden worden wanneer het zelf opgegeven is, wanneer
Genade het oude karma wegwast, en het Inzicht in God’s Wil doorbreekt.
Laten wij geen compromis sluiten en ons inbeelden dat dit zelf gered kan
worden. Neen, het zelf is eigen aan dit gevallen Universum en het kan
niet gered worden. Het heeft geen zin om persoonlijke verlichting na te
streven, want er is geen “ik” dat verlicht kan worden. Opoffering
en dienstbaarheid zijn er niet voor het zelf. Maar de Goddelijke Vonk
kan bevrijd worden, en hier werk ik voor. De mensheid heeft het Licht
verschrikkelijk nodig, en hier werk ik ook voor. Maar het is niet zomaar
een “ik” dat werkt, het is het groepsleven dat door me werkt. Waarom
zouden we dingen voor ons “ik” zoeken als ons bewustzijn meer omvat
dan “ik”? Als we ons identificeren met het Geheel, dan is de groep
ons leven en schijnt Gods Licht er doorheen. Wat
dit zelf betreft, dit ego, dit verloochen ik. Ik steun het niet langer,
ik vertrouw het niet langer, en hier leef ik niet langer voor. Zijn
persoonlijke doelen hebben geen betekenis meer. Zijn beperkingen zullen
genegeerd worden. Zijn fouten zullen getranscendeerd worden door Genade.
Het doel van de groep zal zijn doel zijn. Al zijn handelingen zullen
overeenstemmen met de Wil van Spirit. De
enige waarheid is Gods Waarheid. De
enige geest is Gods Geest. De
enige realiteit is Gods Realiteit. De
enige wijsheid is Gods Wijsheid. De
enige liefde is Gods Liefde. Al
het overige is deze morbide droom, deze grillige illusie, en dit valse
universum van dualiteit. Al het overige is stof, leugen en verwarring.
Al het overige is fantasie van het ego. Al het overige is een gevangenis
voor het zelf – een zelf dat God schuldig heeft verklaard aan
afgescheidenheid, en dat gedoemd is te lijden aan de gevolgen van die
vrije keuze. Dit
is mijn gebed: ”God
wat wilt U dat ik doe? Ik weet dat dit de laatste dagen zijn. Ik weet
dat ik niets bezit dan ideeën en hoop, en dat mijn leven overschaduwd
wordt door onwetendheid en gewoonte. Lieve
Heer, verlicht deze geest en reinig dit hart, alleen voor Uw Doeleinden,
ter wille van Uw Wil en Uw Plan, daar ik weet dat alleen de Uwe de enige
Vreugde, de enige Vrede en de enige Harmonie is. De ziel is verdwaald in
de duisternis en wij zijn allen verdwaald in de duisternis, en ik weet
dat Uw Liefde het enige soelaas biedt. Wij weten dat de enige hoop is
ons innerlijk naar U te richten, en wij bidden dat U ons naar juiste
kennis en begrip leidt. Geef ons de kracht om alles te verzaken dat ons
aan lijden en dood bindt. Wij vragen dit ter wille van al het leven, en
de zielen van onze medemensen, want zonder U, O Heer, zijn we verstoken
van al dat van echte Waarde is. Lieve
God, wij weten dat we niets bezitten en dat we niets kunnen doen om
dichter bij U te komen, behalve ons innerlijk van de duisternis van onze
onwetende ideëen naar Uw Licht te keren. Lieve
God, alstublieft, inspireer ons met Uw Heilige Geest tot het doen van Uw
Werk, opdat Uw Wil geschiede, op Aarde en in de Hemel. Moge alle dolende
zielen verlost worden. Moge de Aarde gereinigd en gezuiverd worden. Moge
allen die dorsten geleid worden naar het Levende Water, en moge allen
die vermoeid zijn rust vinden in de wieg van Uw zoete Genade. Uw Wil
geschiede, O Heer, niet de mijne. Vraag
en Antwoord nieuwe
maandelijkse rubriek Vraag:
Waarom lijken er zo weinig mensen te zijn die werkelijk voor het Pad
kiezen en hierin volharden? Antwoord:
Er zijn in deze verduisterde wereld inderdaad maar weinig mensen die in
staat zijn de “matrix” te overstijgen en deze spirituele tocht te
ondernemen. De meeste mensen hebben slechts een aantal stappen gedaan op
het Pad richting het “Inner Sanctum” wanneer ze alweer terugdeinzen
voor de eisen die het Pad stelt. Bijna
alle mensen die zich in zekere mate aangetrokken voelen door de Roep,
reageren hierop vanuit (bewuste of onbewuste) belangen voor het zelf.
Op het moment dat dit zelf bedreigd wordt door de “dood” en door
het besef dat het Ware Spirituele leven hem helemaal niets zal
opleveren, het moment dat het zelf wordt gedwongen een keus te maken
welk van de twee Heren het wil dienen, laat het zich al te makkelijk
verleiden om voor het makkelijke pad te kiezen, het pad van uitstel, dat
eindigt in dood en reïncarnatie. Echter,
de enige zinnige keus is al gemaakt door de goddelijke vonk in ons,
wanneer we nu gewoon alleen hier naar zouden luisteren… Geen
‘ik’ kan het Pad bewandelen, slechts onze goddelijke kern kan die
weg gaan. ”Bereken
goed de kosten voordat gij mij gaat volgen; het betekent het opgeven van
uw leven en van alles wat ge bezit. Als gij vader, moeder, vrouw of kind
meer liefhebt dan de Christus, kunt ge mij niet volgen. Wanneer ge
weelde of eer meer liefhebt dan de Christus, kunt ge mij niet volgen. De
paden van het stoffelijke leven lopen niet langs de bergzijde naar de
top; zij lopen rondom de berg des levens, en indien ge steil naar boven
gaat naar de opperste poort van bewustzijn, dan kruist ge de paden van
het stoffelijke leven; betreedt deze niet. En hieruit volgen de
verschillende manieren waarop de mensen het kruis dragen; niemand kan
het kruis van een ander dragen. Neem uw kruis op en volg mij door
Christus op het pad van waarachtig discipelschap; dit is het pad dat ten
leven voert. De weg ten leven wordt wel de parel van de grootste waarde
genoemd en hij die haar vindt, moet alles wat hij heeft onder zijn
voeten laten.” - Jesus. wanneer
mensen samen de Waarheid zien, zijn hun Harten verenigd Geen
zelf kan ooit verenigd zijn met iets, want de natuur van het zelf
is afscheiding. Veel
mensen verbeelden zich dat ze klaar zijn voor het Pad, ze houden van het
idee van Gelukzaligheid en Vreugde, goddelijke Eenheid en Vrijheid van
lijden. Maar de kosten voor het ego-zelf op het Pad, door de dood (van
het ego) naar het Leven is vaak te veeleisend. Waar een ziel gereed voor
denkt te zijn en waar het werkelijk op voorbereid is zijn
vaak twee heel verschillende dingen. Er
zijn weinig mensen die durven toe te geven dat ze er nog niet klaar voor
zijn; vandaar het bestaan van “imitatiespiritualiteit” ~~~~ Uit
het Aquarius evangelie van
Jezus de Christus 15.
En daarna sprak hij zodat allen hem konden horen en zeide: Hoor
de betekenis van de gelijkenis: 16.
De mensen horen mijn woorden en begrijpen ze niet. Dan ontfutselt
het stoffelijke zelf het zaad en niet een teken van geestelijk leven
komt voor de dag. 17.
Dit is het zaad dat op de verharde, door mensen gemaakte paden
valt. 18.
En anderen horen de woorden van leven en ontvangen ze allen met
vurig enthousiasme; zij schijnen de waarheid en de belofte goed te
begrijpen. 19.
Maar de moeilijkheden komen; tegenwerkingen steken het hoofd op;
er is geen diepte van denken; hun goede bedoelingen kwijnen weg en
sterven. 20.
Dit zijn de zaden die op steenachtige grond vielen. 21.
En anderen horen de woorden van waarheid en schijnen hun waarde
te kennen; maar liefde voor genoegens, reputatie, rijkdom en
vermaardheid vullen de bodem; de zaden krijgen geen voeding en zij gaan
verloren. 22.
Dit zijn de zaden die tussen de distels en doornen vielen. 23.
Maar anderen horen de woorden van waarheid en begrijpen ze goed;
zij zinken diep weg in hun zielen; zij leven het heilige leven en de
gehele wereld wordt gezegend. 24.
Dit zijn de zaden die in vruchtbare bodem vielen en overvloedig
vruchten voortbrachten. Gods
Veerman Paramahansa
Yogananda Heen
en weer wil ik varen, Vele
malen, Over
de golven achter de dood, En
terug, naar de Aardse kusten, Vanuit
mijn Hemelse thuis. Graag
wil ik mijn boot weer laden, Met
alle wachtenden, die
dorstig zijn achtergebleven. Ik
wil hen dragen, door
de opaalkleurige Poel de
Poel van klaterende Vreugde, want
aldaar Schenkt mijn Vader de
lessende Vrede in Overvloed. O,
ik kom opnieuw en weer! al
moet ik duizenden klippen van
lijden trotseren! Met
bloedende voeten zal
ik steeds arriveren, nog
vele miljoenen of
nog meerdere keren, Zolang
als ik weet, Dat
één zwervende broeder is
achtergebleven… Ik
verlang naar U, O Heer, en
bid, dat ik U aan allen mag schenken. ik
verlang naar Bevrijding O Heer! van
mijn lichaam’lijke gevangenschap, zodat
ik aan anderen de sleutel kan geven. Ik
verlang slechts Uw extase Om
die met mijn broeders te delen; Dat
ik hen, het
Pad van Geluk mag tonen, om
voor eeuwig weer
in U te zijn. OVER
HET BOVENZINNELIJKE LEVEN EEN
SAMENSPRAAK VAN EEN LERAAR MET ZIJN LEERLING DOOR JACOB
BOEHME ZESDE,
HERZIENE DRUK 1998 ROZEKRUIS
PERS-HAARLEM-NEDERLAND Inleiding Met
de heruitgave van Over het bovenzinnelijke leven van Jacob Boehme
(1575-1624), hoopt de Rozekruis Pers zowel lezers die al bekend zijn met
Boehme's spirituele gedachtengoed als hen die in dit werkje voor het
eerst kennis met hem maken, wederom een rijke bron van inspirerende
gedachten en observaties te bieden. In dit boekje, door Boehme twee jaar
voor zijn dood geschreven, behandelt hij een aantal essentiële
vraagstukken over het diepste wezen van ieder mens, door hem aangeduid
met het begrip `ziel’. Door de heldere vorm van dit geschrift en de
praktische toepasbaarheid van de inhoud, schittert dit werkje als een
klein juweel binnen de omvangrijke gnostieke erfenis die Boehme de
wereld naliet. Wat
wij over de persoon Jacob Boehme weten, komt vooral tot ons uit zijn
eigen Theosofische zendbrieven en uit hetgeen Abraham von Franckenberg
(1593-1652), jurist-landedelman uit Ludwigsdorf en vriend van Boehme,
over hem schreef. Zo vernemen we dat Boehme in 1575 in Duitsland te
Altseidenberg, een dorpje ten zuiden van Görlitz (dicht bij de huidige
Poolse grens) bij zeer eenvoudige ouders werd geboren. Het was na
Luthers reformatie (1517) en een halve eeuw vóór de Dertigjarige
oorlog (1618-1648) een uitermate spanningsvolle tijd, waarin
ondergangsgedachten, verbonden met anti-christ visies en antipapisme,
hand in hand gingen met profetieën over een nieuwe tijd. In deze
contekst groeide Boehme vroom en ernstig op, kwam in een
schoenmakerszaak als leerling terecht, trouwde en kreeg kinderen. Wat
dit soort zaken betreft onderscheidde hij zich niet van zijn medemensen. Wat
Boehme wél onderscheidt van de gewone mensen is het feit dat hij tot
vier keer toe diep door het goddelijke Licht werd aangeraakt. Zo
beschrijft hij in zijn eerste werk: Aurora. De wortel of moeder der
philosophia, astrologia en theologia, dat hij in 1600, 25 jaar oud, zo
door het Licht werd getroffen, dat hij `tot in de inwendigste grond' of
`tot het middelpunt der verborgen natuur' kon kijken. Deze ervaring
verdiepte zich alleen maar gedurende de rest van zijn leven, zodat hij
`elke dag in het hart door al het geschapene heen de wonderwerken van de
schepper louter klaar en geopend vond'. Boehme's
vreugde over zijn ervaringen was groot, maar hij sprak er nauwelijks
over. Wel probeerde
hij voor zich zelf en enkele intimi een en ander op te schrijven, wat,
naar hij zelf meedeelt, niet zo eenvoudig was. Het betreft hier immers
zaken die eigenlijk niet in taal te vatten zijn, maar zelf ervaren
dienen te worden. Boehme was zich terdege bewust van deze paradoxale
situatie: een aantal malen legde hij uit dat de levende stroom Gods in
het woord gedood wordt. Hij
worstelde bij zijn verwoording om het behoud van de levende kracht; om
de taal niet alleen te gebruiken om over zijn ervaringen te spreken.
Nee, hij wilde dat de woorden en begrippen behalve hun betekenis, tevens
de levende Waarheid zouden overdragen. Voor zijn medemensen ervaarbaar. In
1613 raakt zonder medeweten van Boehme een geschreven kopie van Aurora
in handen van de hoofdpredikant van Görlitz, Gregorius Richter. Met dit
feit begint de `oorlog' tegen Boehme die tot na zijn dood zou duren.
Boehme's denkbeelden staan immers haaks op de gangbare religieuze
overtuigingen uit die tijd. Met name zijn uiteenzettingen over het
verschil tussen de verborgen wil Gods en de wil van de mens, werkzaam in
twee totaal van elkaar gescheiden werelden, roept een baaierd van
haatdragende handelingen op. Boehme stelt namelijk in de relatie
tussen God en mens, Christus centraal. Christus die in staat is een
verzoening tot stand te brengen tussen het goddelijke
principe en de volkomen deemoedige mens die in staat is zijn wil aan Hem
over te dragen; Hem navolgend, worstelend en falend, dwars door alle
tegenstanden heen. Zonder
Christus is en kan de mens niets. In dit proces wordt Christus door
Boehme niet als een persoon ergens in een vage hemel gesitueerd. Nee,
Christus bevindt zich volgens zijn eigen hermetische ervaringen als
krachtwerkzaamheid binnen in een mens en kan door elk mens zelf gevonden
worden. Los van welke institutie, persoon of geschrift dan ook. Boehme's
vrije bevindingen riepen de reactie op die elk mens die getuigenis geeft
van levende Waarheid ten deel valt. Processen, vervolgingen,
lastercampagnes, verbanning, gevangenisstraf, niets van dit alles blijft
hem bespaard. Bovendien wordt ook nog eens publicatie van zijn
geschriften verboden. Zeven jaar houdt Boehme zich aan dit verbod,
totdat hem door enkele vrienden verzocht wordt de wat duistere passages
in Aurora toe te lichten. Hij verzamelt een kring van gelijkgestemde
geesten om zich heen, door hem de `theosofische pinksterschool' genoemd.
Samen praten ze over Boehme's geestelijke ervaringen en inzichten. Zijn
geschriften circuleren in kleine kring. In
1619 wordt hij opnieuw door het Licht aangeraakt, en deze invloed is zo
sterk dat hij het niet langer kan laten te schrijven. In de jaren die
hem nog resten schrijft Boehme dertig boeken en meer dan honderd
zendbrieven, bijna vierduizend pagina's in totaal. Hij spreekt van een
verborgen vuur dat in hem brandt, en over hoe moeilijk het is om het
ervarene in woorden uit te drukken. En alleen aan het schrijven kan hij
zich niet wijden: bij de verschijning van elk geschrift steekt er storm
op. De `oorlog' van Richter en zijn medeschriftgeleerden gaat
onverminderd voort: verhoren, bedreigingen en smaad zijn Boehme's deel. De
reactie van Boehme op alle aanvallen is geheel overeenkomstig zijn eigen
ideeën over waarom God allerlei ellende toestaat in de wereld. Over dit
soort zaken merkte hij op dat geen ding zichzelf zonder tegenstand kan
leren kennen. Als het natuurlijke leven geen tegenstand kende en als het
zonder doel was, zou het nimmer naar zijn oorsprong vragen, en dan zou
de verborgen God voor het natuurlijke leven onbekend blijven. Zo keek
Boehme ook naar Richter en de zijnen. Hoewel hij diep leed onder de
vreselijke woede van de predikant, bleef hij zachtmoedig, wetende dat de
tegenstand onontkoombaar en noodzakelijk was. En goed ziende dat zijn
vijand meer van een goed glas wijn hield dan van een goed gesprek over
de wedergeboorte in Christus (zoals hij eens schijnt te hebben
opgemerkt), blijven ons vooral zijn uitspraken bij dat God, volgens
Boehme, Richter tot zijn drijfhamer heeft gemaakt die het werk moest
voortdrijven. Zijn lasteren is Boehme's sterkte en groeien geweest.
Daarom wenst Boehme hem Gods erbarmen. Tot
na zijn dood in 1924 werd hij door de officiële predikanten genegeerd:
een teraardebestelling en een preek werden in eerste instantie
geweigerd; een overlijdensbericht niet eens afgeroepen. Maar naast alle
smaad was er ook erkenning en herkenning. Tot aan het hof van Dresden
werden Boehme's geschriften gelezen. En hoewel Duitsland zijn werk
officieel verbood, vonden zijn werken via andere landen hun weg. Met
name in Amsterdam verschenen, dankzij de koopman Abraham Willemszoon van
Beverland, vele eerste drukken van zijn werk. Boehme's invloed op de
Westeuropese geest is voortaan niet meer weg te denken. Vorsten,
geleerden, filosofen, theologen en
esoterici hebben zich over zijn werk gebogen, hebben ervan geleerd, zijn
er door beïnvloed. Onder
hen beroemde namen als Leibniz, Spinoza, Hegel, Schopenhauer en Newton.
Misschien dat Boehme zou moeten lachen als hij dat rijtje namen zou
zien. Hij beschouwde zichzelf immers niet als leraar of prediker, of als
iemand bijzonders. Hij leefde heel nuchter in `goddelijke gave', zijn
bevindingen overdragend aan hen die er voor open stonden, om hen zo op
het spoor vanwedergeboorte in Christus te zetten, een volkomen innerlijk
gebeuren, hier en nu. In
deze geest, en met Boehme's eigen woorden als motto, biedt de Rozekruis
Pers de lezer dit geschrift dan ook aan: De
ziel maakt deel uit van de goddelijke wetenschap van de goddelijke wil,
is voortgekomen uit het goddelijke woord en vormt een weerspiegeling van
de goddelijke liefde. Zij stamt uit de bron der eeuwigheid, waaruit
licht en duisternis ontspringen. De duisternis ontstaat door het
aanvaarden van de eigen begeerte, het licht ontstaat door de eenheid met
Gods wil. Over
het bovenzinnelijke leven Een
samenspraak van een leraar met zijn leerling Hoe
de ziel tot goddelijk aanschouwen en horen moge komen; welke
haar jonggeboren staat in het natuurlijke en bovennatuurlijke leven zal
zijn; hoe
zij uit de natuur in God zal ingaan en wederom uit God in de natuur van
het zelf; ook
wat haar gelukzaligheid en haar ondergang kan zijn. Geschreven
in het jaar 1622 door
Jacob Boehme van Alt-Seidenburg. 1.
De leerling sprak tot de Meester: Hoe kan ik tot het
bovenzinnelijke leven komen, opdat ik God zal zien en Hem zal horen
spreken? Meester:
Indien
ge u één ogenblik kunt verheffen in het gebied waar geen schepsel
woont, hoort ge wat God spreekt. 2.
Leerling:
Is dat
gebied nabij of ver? Meester:
Het is
in u; indien ge in staat zijt uw gehele wil en uw zinnen één uur te
doen zwijgen, zult ge de onuitsprekelijke woorden Gods horen. 3.
Leerling:
Hoe zal
ik kunnen horen als mijn zinnen en mijn wil stil zijn? Meester:
Als
de zinnen en de wil van uw persoonlijkheid zwijgen, wordt in u het
eeuwige horen, zien en spreken openbaar, en hoort en ziet God door u. Uw
eigen horen, willen en zien verhindert u God te zien en te horen. 4.
Leerling:
Waarmee
moet ik God horen en zien, als Hij boven natuur en schepsel verheven is? Meester:
Als ge
stil zijt, zijt ge, wat God was vóór er natuur en schepping was,
waaruit Hij u als natuurlijk schepsel schiep. Dan hoort ge en ziet ge
met datgene waarmee God in u zag en hoorde, eer uw eigen willen, zien en
horen een aanvang had genomen. 5.
Leerling:
Wat
houdt mij dan tegen, zodat ik dit niet bereiken kan? Meester:
Uw
eigen willen, horen en zien en omdat ge dat waaruit ge zijt
voortgekomen, wederstreeft. Met uw eigen wil verbreekt ge u van Gods wil
en met uw eigen zien ziet ge slechts wat ge zelf wilt. Uw wil verstopt
uw gehoor met de eigenzinnigheid van aardse en natuurlijke dingen. Hij
voert u op zijwegen en overschaduwt u met dat wat ge wilt, opdat ge niet
tot het bovennatuurlijke en het bovenzinnelijke zult komen. 6.
Leerling:
Indien
ik van de natuur ben, hoe kan ik mij dan door de natuur tot het
bovenzinnelijke gebied verheffen, zonder de natuur te verbreken? Meester:
Daarvoor
zijn drie dingen nodig: ten eerste, dat ge uw wil overgeeft aan God en
volledig in zijn barmhartigheid opgaat; vervolgens, dat ge uw eigen wil
haat en niet doet waartoe uw wil u drijft; ten derde, dat ge u geduldig
onderwerpt aan het kruis van onze Heer Jezus Christus, opdat ge de
verlokkingen van de natuur en van de mensen zult kunnen weerstaan. Als
ge dit doet, zal God in u spreken en uw overgegeven wil in het
bovennatuurlijke gebied binnenleiden. Dán zult ge horen wat de Heer in
u spreekt. 7.
Leerling:
Als ik
dat zou doen, zou ik dan de wereld en mijn leven moeten verlaten? Meester:
Als
ge de wereld verlaat, komt ge in datgene waaruit de wereld gemaakt is.
En als ge uw leven verliest en de machteloosheid van uw vermogens
beseft, blijft het in Hem, terwille van wie ge het verliet, als in God,
uit wie het tot vlees werd. 8.
Leerling:
God
heeft de mens in het natuurlijke leven geschapen opdat hij zou heersen
over alle schepselen op aarde en heer over al het leven in deze wereld
zou zijn. Daarom moet het hem naar eigen goeddunken toebehoren. Meester:
Indien
ge alleen uiterlijk over de schepselen heerst, is uw wil en uw
heerschappij dierlijk van aard en is er alleen sprake van een
vergankelijke heerschappij over de vorm. Ook verlaagt ge uw begeren tot
een dierlijke geaardheid, waardoor ge besmet wordt en gevangen genomen
wordt en eveneens een dierlijke aard verkrijgt. Als ge echter het
zintuiglijk waarneembare verlaten hebt, zijt ge in het bovenzinnelijke
en heerst ge op grond daarvan over alle schepselen die daaruit zijn
geschapen; en op aarde zal niets u kunnen schaden, want ge zijt één
met alle dingen en er is niets dat niet met u vereend is. 9.
Leerling:
O
geliefde Meester, leer mij toch de kortste weg om tot eenwording met
alle dingen te komen. Meester:
Herinner
u de woorden van onze Heer Jezus Christus, toen Hij sprak: « Als ge u
niet bekeert en wordt als de kinderen, zult ge het koninkrijk der
hemelen niet binnengaan » (Mattheus 18 :3). Als ge één wilt worden
met alle dingen, dan moet ge alle dingen loslaten en uw begeerte ervan
afwenden en ze niet begeren, noch u bezighouden met iets om het in
eigendom te bezitten, want zodra ge iets met uw begeerte grijpt en in
bezit neemt, wordt het één met u en met uw wil; dan zijt ge verplicht
het te beschermen en het als uw eigen wezen te aanvaarden. Indien ge
echter niets met uw begeerte grijpt, zijt ge vrij van alle dingen en
tegelijkertijd heerst ge over alle dingen. Want er is dan niets wat voor
u begeerlijk is, ge zijt voor alle dingen niets en alle dingen zijn voor
u niets. Ge zijt dan als een kind dat iets niet begrijpt. En indien ge
het begrijpt, verstaat ge het - zonder dat uw gevoelens beroerd worden -
op de wijze waarop God alle dingen beheerst en ziet en toch zelf
onbegrepen blijft. Ge vroeg mij echter u te leren hoe ge daartoe kunt
komen. Welnu, luister dan naar de woorden die Christus sprak: « Zonder
mij kunt ge niets doen» (Johannes 15:5). Uit eigen kracht kunt ge niet
tot die rust komen waarin geen schepsel u beroert, tenzij ge uw leven
geheel in dienst stelt van onze Heer Jezus Christus, aan Hem uw gehele
wil en begeerte overgeeft en zonder Hem niets wil. Dan zijt ge met uw
aardse lichaam in de wereld der hoedanigheden en met uw verstand onder
het kruis van onze Heer Christus. Maar met uw wil vaart ge ten hemel en
staat ge daar vanwaar alle schepselen gekomen zijn en waarheen zij
terugkeren. Aldus kunt ge met het verstand al het uiterlijke waarnemen
en met het gemoed al het innerlijke. En, mét Christus, aan wie alle
macht gegeven is in de hemel en op aarde, in en over alle dingen heersen
(Mattheus 28: 18). 10.
Leerling:
O
Meester, de schepselen die in mij leven houden mij terug, zodat ik mij
niet volkomen kan overgeven, hoe graag ik het ook zou willen. Meester:
Als uw
wil zich losmaakt van zijn scheppingen, dan zijn de scheppingen in u
verlaten en zij zijn in de wereld. Dan is alleen uw aardse lichaam bij
de scheppingen; gij echter wandelt geestelijk met God. Als uw wil de
scheppingen loslaat, zijn zij in uw wil gestorven en leven alleen in het
lichaam in de wereld; en als de wil zich niet met hen verbindt, kunnen
zij de ziel niet beroeren. Want Paulus zegt: « Wij zijn burgers van een
rijk in de hemelen» (Filippenzen 3:20), en: « Uw lichaam is een tempel
van de Heilige Geest, die in u woont» (1 Korinthe 6:19). Zo woont nu de
Heilige Geest in de wil, terwijl de scheppingen in het lichaam wonen. 11.
Leerling:
Als de
Heilige Geest in de wil van het gemoed woont, hoe kan ik dan mijzelf
ertegen behoeden dat Hij van mij wijkt? Meester:
Luister
naar de woorden van onze Heer Jezus Christus, die sprak: «Als ge in
mijn woord blijft, zijt ge waarlijk mijn leerlingen» (Johannes 8:31).
Blijft ge met uw wil in Christus' woord, dan blijft zijn woord en zijn
geest in u. Gaat echter uw wil uit naar het geschapene, dan hebt ge u
van Hem verbroken. Daartegen kunt ge u slechts behoeden door gelaten, in
deemoed, in voortdurende boete te blijven; dat het u steeds berouwe dat
er scheppingen in u leven. Als ge dit doet, dan staat ge in het
dagelijks sterven van de scheppingen in u, en naar de wil stijgt ge
dagelijks ten hemel. 12.
Leerling:
Goede
Meester, leer mij toch hoe ik tot zulk een onafgebroken boetedoening kan
komen. Meester:
Als
ge datgene verlaat wat u lief heeft, en datgene liefhebt wat u haat,
zult ge altijd in boetedoening kunnen staan. 13.
Leerling:
Wat wil
dit zeggen? Meester:
Uw
scheppingen in vlees en bloed, evenals al degenen die zij liefhebben,
houden van u, omdat uw wil ze koestert. De wil moet zich daarvan
afwenden en ze als vijanden beschouwen. Het door de wereld bespotte
kruis van onze Heer Jezus Christus haat ge, maar ge moet het leren
liefhebben en het tot oefening van uw dagelijkse boetedoening nemen. Ge
zult dan steeds reden hebben uzelf én uw scheppingen te haten en de
eeuwige rust te zoeken, waarin uw wil rust kan vinden, zoals Christus
sprak: « In mij hebt ge rust, maar in de wereld lijdt ge verdrukking »
(Johannes 16:33). 14.
Leerling:
Hoe kan
ik mij in zulk een verzoeking staande houden? Meester:
Indien
ge u elk uur eenmaal boven al uw scheppingen en boven alle zintuiglijk
verstand verheft, in de zuiverste barmhartigheid van God, in het lijden
van onze Heer Jezus Christus en u daaraan overgeeft, zult ge de kracht
krijgen, over zonde, dood, duivel, hel en wereld te heersen. Aldus zult
ge elke verzoeking kunnen weerstaan. 15.
Leerling:
Wat zou
er met mij, arm mensenkind, geschieden als ik met het gemoed daar zou
komen waar zich geen schepsel bevindt? Meester:
O
geliefde leerling, indien uw wil zich één uur zou kunnen losmaken van
al het geschapene en zich verheffen tot daar waar geen schepsel is, hij
zou bekleed worden met de schoonste glans van Gods heerlijkheid en zou
in zichzelf de zoetste liefde van onze Heer Jezus Christus smaken, die
geen mens vermag uit te spreken. Hij zou in zichzelf de onuitsprekelijke
woorden van onze Heer door zijn grote barmhartigheid ervaren. Hij zou
innerlijk bemerken dat het kruis van onze Heer Christus hem tot een
weldaad werd en zou dit liever gewinnen dan de eer en de rijkdom van de
wereld. 16.
Leerling:
Wat zou
er echter met het lichaam geschieden, daar dit in de schepping moet
leven? Meester:
Het
lichaam zou onze Heer Christus navolgen, die sprak dat zijn rijk niet
van deze wereld was. Het zou aanvangen uiterlijk en innerlijk te
sterven; uiterlijk: aan de wereldse ijdelheid en haar boze daden en alle
overdaad schuwend; innerlijk: aan alle boze lusten en jaloezie. En het
lichaam zou een nieuw denken en een nieuwe wil verkrijgen, die steeds op
God gericht zouden zijn. 17.
Leerling:
De
wereld zou hem [de leerling] daarom haten en verachten, omdat hij haar
zou moeten tegenspreken en anders zou moeten leven en handelen dan zij. Meester:
Dat
zal hij niet ervaren als leed, maar hij zal zich erover verheugen dat
hij waardig bevonden is gelijkvormig te worden aan onze Heer Christus en
hij zal jegens onze Heer dit kruis gaarne willen dragen, als deze hem
daarvoor met zijn innigste liefde zou willen vervullen. 18.
Leerling:
Wat zou
er met hem geschieden als van binnenuit Gods toorn en van buitenaf de
boze wereld hem zou aangrijpen, zoals met onze Heer Christus geschied
is? Meester:
Hem
zou hetzelfde geschieden als onze Heer Christus. Toen deze door de
wereld en de priesters bespot en gekruisigd werd, beval Hij zijn ziel
aan in de handen van de Vader en ging heen, uit de angst van deze
wereld, in de eeuwige vreugde. Aldus zou ook de leerling door alle
wereldse spot en angst kunnen binnengaan in zichzelf, in de grote liefde
van God, en in de naam van Jezus gelaafd en behouden worden en in
zichzelf een nieuwe wereld zien en ervaren, die tot Gods toorn kan
doordringen. Daarin zou hij zijn ziel kunnen hullen en, ongeacht of zijn
lichaam in de hel dan wel op aarde zou zijn, zou zijn gemoed opgenomen
zijn in de alomvattende liefde Gods. 19.
Leerling:
Hoe zou
zijn lichaam in de wereld gevoed worden en hoe zou hij de zijnen voeden,
indien de ongenade van de gehele wereld op hem zou neerdalen? Meester:
Hij
zou een grotere gunst ontvangen dan de wereld vermag te geven, want hij
heeft God en al diens engelen tot vrienden, die hem in alle nood
beschermen. God is hem aldus tot zegen in alle dingen. En al zou het
zich laten aanzien dat hij niet wil, dan is dit slechts een beproeving
die uit liefde voortkomt, opdat hij des te meer tot God zou bidden,
opdat deze hem al zijn wegen zou wijzen. 20.
Leerling:
Hij
verliest echter al zijn goede vrienden, en er is niemand om hem in zijn
nood bij te staan. Meester:
Hij
verwerft het bezit van alle goede vrienden en verliest alleen zijn
vijanden, die voorheen zijn ijdelheid en zijn boosheid liefhadden. 21.
Leerling:
Hoe zal
hij zijn waarachtige vrienden « bezitten »? Meester:
Hij
verkrijgt als broeders en leden van zijn eigen lichaam alle zielen die
onze Heer Jezus toebehoren, want Gods kinderen zijn in Christus één en
Christus is in allen. Daarom verkrijgt hij hen allen als lijfelijke
leden in Christus; want zij hebben de hemelse goederen gemeen en leven
in de ene liefde Gods, zoals de takken van de boom van één sap leven.
Ook zal het hem – evenals onze Heer Christus - niet ontbreken aan
uiterlijke, natuurlijke vrienden. Hoewel de hogepriesters en de groten
der aarde, die Hem niet toebehoorden en die niet zijn leden en broeders
waren, Hem niet liefhadden, hadden zij die voor zijn woorden
ontvankelijk waren, Hem lief. Ook zullen diegenen hem liefhebben die de
waarheid en de gerechtigheid liefhebben, en zij zullen tot hem komen,
zoals Nikodemus, die Jezus in zijn hart beminde vanwege de waarheid, en
die uiterlijk voor de wereld terugschrok, in de nacht tot Hem kwam. Zo
zal hij vele goede, hem onbekende vrienden hebben. 22.
Leerling:
Toch is
het heel hard door de gehele wereld veracht te worden. Meester:
Wat
u nu hard schijnt, zult ge later het meest liefhebben. 23.
Leerling:
Hoe is
het mogelijk datgene lief te hebben wat mij veracht? Meester:
Thans
hebt ge aardse wijsheid lief. Zodra ge echter bekleed zijt met hemelse
wijsheid, zult ge inzien dat alle wereldse wijsheid slechts dwaasheid is
en dat de wereld alleen uw vijand haat, zoals het sterfelijke leven, dat
gij zelf ook haat in uw willen. Aldus vangt ge aan, de verachting van
het sterfelijke leven ook lief te hebben. 24.
Leerling:
Hoe kan
een mens zichzelf liefhebben en tegelijkertijd zichzelf haten? Meester:
Wat
ge in uzelf liefhebt, is niet uw ikwezen, doch de u geschonken liefde
Gods. Ge bemint het goddelijke in u, waardoor ge Gods wijsheid, zijn
wonderen en uw broeders liefhebt. Dat ge uzelf haat, doet ge naar uw
ikwezen, waarin ge het boze aantrekt. Toch zoudt ge gaarne de ikheid
verbreken, opdat zij u geheel en al tot een goddelijke grondslag zou
worden. De liefde haat de ikheid, omdat de ikheid een dodelijk iets is;
beide kunnen niet goed samengaan. Want de liefde bezit de hemel en woont
er, maar de ikheid bezit de wereld, met haar wezen, en woont daar ook.
Zoals de hemel de wereld beheerst en de eeuwigheid de tijd, zo ook
heerst de liefde over het natuurlijke leven. 25.
Leerling:
Geliefde
Meester, zeg mij toch waarom liefde en leed, vriend en vijand altijd
samengaan? Zou louter liefde niet beter zijn? Meester:
Als
liefde niet in leed zou bestaan, had zij niets om lief te hebben. Omdat
echter haar wezen, dat zij liefheeft, de arme ziel, in leed en pijn is,
heeft zij reden haar eigen wezen lief te hebben en het van pijn te
bevrijden, opdat zij weder bemind zou worden. Ook zou niet beseft worden
wat liefde is, als zij niets bezat dat zij zou kunnen liefhebben. 26.
Leerling:
Wat is
liefde in haar kracht en deugd en in haar macht en grootte? Meester:
Haar
deugd is het niets, haar kracht is in alles; haar macht is zo verheven
als God, en haar grootte is groter dan God. Wie haar vindt, vindt niets
en alles. 27.
Leerling:
O
Meester, zeg mij toch hoe ik dit moet verstaan. Meester:
Dat ik
zei: « Haar deugd is het niets », zult ge begrijpen als ge u losmaakt
van al het geschapene en voor de natuur en alle levende wezens als een
niets wordt. Dan zijt ge in de eeuwig Ene, dat is God zelf, en ervaart
ge de hoogste deugd der liefde. Dat ik echter zei: « Haar kracht is in
alles », wordt ge in uw ziel en lichaam gewaar. Als deze grootse liefde
in u ontstoken wordt, brandt zij zoals geen vuur vermag. Ook zult ge aan
alle werken Gods bemerken hoe zich de liefde in alles heeft uitgestort
en zowel innerlijk als uiterlijk de grondslag is van alle dingen:
inwendig naar de kracht, uiterlijk naar de vorm. En dat ik verder sprak:
«Haar macht is zo verheven als God », zult ge innerlijk verstaan,
omdat zij u in uzelf zo omhoog heft als God zelf is, zoals ge dit kunt
zien aan onze geliefde Heer Christus, die ter wille van onze mensheid de
liefde tot voor de hoogste troon heeft geleid, in de kracht van de
Godheid. Dat ik echter ook gezegd heb: « Haar grootte is groter dan God
», is eveneens waar, want waar God niet woont, daar gaat de liefde
binnen. Want toen onze geliefde Heer Christus in de hel verbleef, was
God niet [in] de hel, maar de liefde was daar en overwon de dood. Ook
als ge bevreesd zijt, is God niet in de angst, maar zijn liefde is er en
leidt u, uit de angst, tot God. Als God in u zich verbergt, is de liefde
daar en openbaart Hem in u. Dat ik verder nog zei: « Wie haar vindt,
vindt niets en alles » is ook waar, want hij vindt een
bovennatuurlijke, bovenzinnelijke chaos, waar zij geen woonplaats heeft
en hij vindt niets dat aan haar gelijk is. Daarom kan men haar met niets
vergelijken, want zij is dieper dan iets. Daarom is zij voor alle dingen
als een niets, omdat zij niet te begrijpen is. En omdat zij niets is, is
zij van alle dingen vrij en is zij het enige goede waarvan men niet kan
zeggen wat het is. Dat ik tenslotte gezegd heb: «Hij die haar vindt,
vindt alles », is ook waar. Zij is de aanvang geweest van alle dingen
en beheerst alles. Als ge haar vindt, komt ge tot de grondslag waaruit
alle dingen zijn voortgekomen en waarin zij bestaan; in haar zijt ge
koning over alle werken Gods. 28.
Leerling:
Geliefde
Meester, zeg mij toch waar zij in de mens woont. Meester:
Waar
de mens niet woont, daar woont zij in de mens. 29.
Leerling:
Waar
woont de mens niet in zichzelf? Meester:
In de
ten ondergegane ziel, omdat de ziel naar haar eigen wil gestorven is en
zelf niets meer wil dan wat God wil, dáár woont zij. Want voor zover
de eigen wil zelf gestorven is, voor zover heeft zij diens plaats
ingenomen. Waar vroeger de eigen wil zetelde, daar is nu niets, en waar
niets is, daar alleen kan Gods liefde werken. 30.
Leerling:
Hoe zou
ik haar kunnen begrijpen, zonder dat mijn wil sterft? Meester:
Als
ge haar wilt grijpen, dan vliedt zij van u. Als ge u echter volledig aan
haar overgeeft, dan zijt ge naar uw wil gestorven en wordt zij het leven
van uw natuur. Zij doodt u niet, doch maakt u juist levend naar haar
leven. Dan leeft ge, echter niet naar uw wil, maar naar haar wil, want
uw wil wordt haar wil. Dan zijt ge naar uw ik dood, maar leeft ge naar
Gods wil. 31.
Leerling:
Hoe
komt het dat zo weinigen haar vinden, hoewel velen haar liefhebben? Meester:
Zij
allen zoeken haar in iets, volgens een zelf gevormde mening, volgens
eigen begeerte; daartoe hebben zij bijna allen een natuurlijke drang.
Hoewel zij zich onmiddellijk aanbiedt, vindt zij toch geen plaats in
hen, want het beeld van de eigen wil heeft haar plaats ingenomen en zij
willen alleen het beeld van het eigen verlangen bezitten. Maar zij
vlucht van daar, want zij woont alleen in het niets. Daarom vinden zij
haar niet. 32.
Leerling:
Wat is
haar taak in het niets? Meester:
Haar
taak is dat zij zonder ophouden in het iets binnendringt; en als zij in
het iets een plaats kan vinden waar alles stilstaat, dan neemt zij die
in en verheugt zich met haar vlammende liefde daarin meer dan de zon in
de wereld. Haar taak is: zonder ophouden in het iets een vuur te
ontsteken, zodat het iets zal verbranden, waardoor haar vuur nog hoger
zal opvlammen. 33.
Leerling:
O
geliefde Meester, hoe moet ik dit verstaan? Meester:
Indien
zij in u een vuur zou ontsteken, zoudt ge voelen hoe zij uw ikheid zou
verbranden, en ge zoudt zo verheugd zijn over uw vuur dat ge u liever
zoudt laten doden dan dat ge wederom in uw iets zoudt ingaan. Ook is
haar vlam zo groot, dat deze niet van u zal wijken, noch in het
tijdelijke leven, noch in de dood. En al zoudt ge in de hel komen, dan
zou zij de hel om uwentwille verbreken. 34.
Leerling:
O
geliefde Meester, ik kan mijn dwaling niet langer verdragen. Hoe vind ik
de kortste weg tot haar? Meester:
Ga
daarheen waar de weg het moeilijkst is. Wat de wereld verwerpt, neem dat
aan. En wat de wereld doet, doe dat niet. Gedraag u in alles
tegengesteld aan de wereld. Dan bewandelt ge de kortste weg tot de
liefde. 35.
Leerling:
Als ik
in alle dingen tegengesteld zou handelen, zou ik in nood en onrust komen
te verkeren. Ook zou de wereld mij voor dwaas houden. Meester:
Ik
raad u niet aan, iemand pijn te doen. Maar de wereld houdt van bedrog en
ijdelheid en bewandelt dwaalwegen. Zo ge in alle dingen tegengesteld
wilt handelen, ga dan steeds de rechte weg, want hun wegen zijn alle
tegen de rechte weg in. Indien ge in voortdurende angst zoudt verkeren,
dan is dat naar het vlees en het geeft u reden tot gestage boetedoening,
en in die angst laait het liefdevuur hoog op. Dat ge voor dwaas
aangezien zult worden, is waar, want de weg tot Gods liefde is voor de
wereld een dwaasheid, maar voor Gods kinderen is hij wijsheid. Als de
wereld het liefdevuur in Gods kinderen ontstoken ziet, zegt zij dat zij
dwaas geworden zijn, maar voor Gods kinderen is het de grootste schat,
waarover geen levend wezen zich ooit zou kunnen uitspreken, en geen mond
is in staat weer te geven wat het in liefde ontstoken godsvuur is. Het
is witter dan de zon en zoeter dan honing, krachtiger dan spijs of
drank, lieflijker dan alle vreugde dezer wereld. Wie het verkrijgt is
rijker dan enige aardse koning, edeler dan enige keizer en sterker dan
enige macht. 36.
Leerling:
Waarheen
gaat de ziel, hetzij zalig, hetzij vervloekt, als het lichaam sterft? Meester:
Zij
behoeft niet heen te gaan; slechts het uiterlijke, sterfelijke leven,
met het lichaam, scheiden zich van haar. Zij heeft hemel en hel reeds in
zich, zoals geschreven staat: «Het koninkrijk Gods komt niet met
uiterlijk vertoon. Men zal ook niet zeggen: Zie hier is het of daar,
want zie, het koninkrijk Gods is binnen in u» (Lukas 17:20,21). Wat in
u openbaar wordt, hetzij de hemel, hetzij de hel, daarin is de ziel. 37.
Leerling:
Vaart
zij dan niet ten hemel of ter helle, zoals men een huis binnengaat, of
zoals men door een opening een andere wereld binnengaat? Meester:
Nee,
het is geen binnengaan op deze wijze, want hemel en hel zijn overal
tegenwoordig. Het gaat om een aanwending van de wil, hetzij in Gods
liefde, hetzij in Gods toorn, en dit geschiedt tijdens het leven. Paulus
zegt daarover: « Ons vaderland is in de hemel » (Filippenzen 3:20). En
Christus zegt: «Mijn schapen luisteren naar mijn stem en ik ken ze, en
zij volgen mij en ik geef ze het eeuwige leven en niemand zal ze mij uit
de hand rukken » (Johannes 10:27,28). 38.
Leerling:
Hoe
komt de wil dan in de hemel of in de hel? Meester:
Als
de wil zich volkomen aan God overgeeft, treedt hij buiten zichzelf,
buiten tijd en ruimte, daar waar alleen God geopenbaard is, daar waar
alleen God wil en werkt. Zo wordt hij naar zijn eigen wil een niets. Dan
werkt de wil van God in hem en woont God in zijn overgegeven wil.
Daardoor wordt de ziel geheiligd en komt zij in de goddelijke rust. Als
dan het lichaam verbroken is, wordt de ziel van goddelijke liefde
doordrongen en door Gods licht doorstraald, zoals het vuur het ijzer
doorgloeit, waardoor het zijn duisternis verliest. Dit is de hand van
Christus, daar Gods liefde de ziel volkomen doordringt en er in haar een
stralend licht en nieuw leven is. Aldus is zij in de hemel en een tempel
van de Heilige Geest en is zelf Gods hemel, waarin Hij woont. De
goddeloze ziel echter wil in deze tijd haar wil niet in goddelijke
gelatenheid overgeven, maar houdt vast aan eigen lust en begeerte, in
ijdelheid en boosheid, in de wil van de duivel gevangen. Zij trekt
slechts boosheid, leugen, hovaardij, gierigheid, afgunst en toorn tot
zich en geeft haar wil daaraan over. Deze ijdelheid wordt in haar ook
openbaar, werkt door haar en doordringt haar volledig, zoals een vuur
het ijzer. Zij kan niet tot goddelijke rust komen, daar Gods toorn zich
in haar openbaart. Als nu het lichaam zich van de ziel scheidt, ontstaat
er eeuwige vertwijfeling en berouw, want zij voelt dat zij een nietig
[werktuig] van angstig makende gruwelen is geworden, en zij schaamt zich
dat zij met haar valse wil tot God wilde doordringen. Zij kan dat ook
niet, daar zij in boosheid gevangen is en zelf enkel boosheid is. Zij
heeft zichzelf daarin opgesloten door haar valse begeerte, die zij in
zichzelf heeft opgewekt. En omdat Gods licht niet in haar schijnt en
zijn liefde haar niet beroert, bevindt zij zich in grote duisternis en
ondergaat zij pijnlijke, angstige kwellingen, als door vuur. Zij draagt
de hel in zich en kan Gods licht niet zien. Aldus woont zij in zichzelf
in de hel en behoeft daarin niet meer af te dalen, want waar zij zich
ook bevindt, zij bevindt zich in de hel. En al zou zij zich
honderdduizenden mijlen van haar oord kunnen verwijderen, dan zou zij
toch in die smart en duisternis blijven. 39.
Leerling:
Hoe
komt het dat de geheiligde ziel in deze tijd dit licht en deze grote
vreugde niet volkomen kan ervaren en de goddeloze ook de hel niet voelt,
ofschoon beide in de mens aanwezig zijn en er altijd één van beide in
hem werkzaam is? Meester:
De
heiligen ondergaan het rijk der hemelen door hun geloof. Zij ondergaan
Gods liefde in hun geloof, waardoor de wil zich aan God overgeeft. Maar
het natuurlijke leven is bekleed met vlees en bloed en staat in de
tegenstelling, in de gramschap Gods, omgeven door de ijdele lust dezer
wereld, die het uiterlijke, sterfelijke leven steeds doordringt, omdat
aan de ene zijde de wereld, aan de andere zijde de duivel en aan de
derde zijde de vloek van de gramschap Gods in vlees en bloed het leven
doordringt en doorzoekt, waardoor de ziel dikwijls in angst verkeert als
de hel zich aan haar opdringt en zich in haar wil openbaren. Zij geeft
zich over, hopend op de goddelijke genade, en staat als een schone roos
te midden van de doornen - tot het rijk van deze wereld van haar valt,
als het lichaam sterft. Eerst dan, als niets haar meer hindert, wordt
Gods liefde waarlijk in haar openbaar. Zij moet deze tijd met Christus
in deze wereld wandelen; Christus verlost haar uit haar eigen hel, door
haar met zijn liefde te doordringen, haar in de hel bij te staan en haar
hel te veranderen in de hemel. Op uw vraag waarom de goddeloze in deze
tijd de hel niet voelt, zeg ik u: hij voelt haar wel in zijn boze
geweten, maar hij begrijpt het niet, daar hij nog aardse ijdelheid
bezit, waardoor hij vreugde en voldoening over zichzelf heeft. Ook
schijnt in het uiterlijke leven nog het licht van de uiterlijke natuur,
waarin zich de ziel verlustigt, zodat de smarten niet aan de dag kunnen
treden. Als het lichaam echter sterft, kan de ziel deze tijdelijke
genoegens niet meer smaken en is voor haar ook het licht van de
uiterlijke wereld gedoofd. Dan verkeert zij in eeuwige dorst en honger
naar de ijdelheden waarin zij zich hier verlustigd heeft. Zij kan echter
niets bereiken dan alleen het verkeerd gerichte willen. Dat wat zij in
dit leven te veel heeft gehad en haar toch niet heeft verzadigd, heeft
zij dan te weinig. Daarom verkeert zij in eeuwige honger en dorst naar
ijdelheid, boosheid en lichtzinnigheid. Zij zou altijd nog meer kwaad
willen doen, maar heeft niets waarin of waarmee zij het kan bedrijven.
Zo voltrekt het kwaad zich alleen in haarzelf. Deze helse honger en
dorst kunnen zich niet eerder in haar openbaren dan nadat het lichaam,
waarmee zij in wellust geboeleerd heeft en dat haar verschafte wat zij
begeerde, gestorven is. 40.
Leerling:
Als
hemel en hel in deze tijd in ons strijden en God ons zo nabij is, waar
wonen dan nu de engelen en de duivelen? Meester:
Waar
uw persoonlijkheid en uw eigen wil niet wonen, daar wonen de engelen bij
u en overal. Waar uw persoonlijkheid en uw eigen wil heersen, daar wonen
de duivelen bij u en overal. 41.
Leerling:
Dat
begrijp ik niet. Meester:
Waar
Gods wil in een schepsel overheerst, openbaart God zich en in deze
openbaring wonen ook de engelen. Waar de wil van het schepsel niet in
harmonie is met de wil Gods, daar openbaart God zich niet aan hem, doch
woont alleen in zichzelf, zonder medewerking van het schepsel. Daar
werkt de eigen wil van het schepsel zonder Gods wil, en daar woont de
duivel en alles wat buiten God is. 42.
Leerling:
Hoever
zijn hemel en hel van elkaar verwijderd? Meester:
Als
dag en nacht en als iets en niets. Zij zijn met elkaar verbonden, en de
een is de ander als een niets, en toch zijn zij oorzaak van elkaars lief
en leed. De hemel is overal, in en buiten de wereld, zonder enige
begrenzing, oord of plaats, en werkt door goddelijke openbaring slechts
in zichzelf en in hem die de hemel binnenkomt, of in hem in wie hij
openbaar wordt; daar openbaart zich God. Want de hemel is niets anders
dan de openbaring van het eeuwige Ene, waar alles in stille liefde werkt
en wil. De hel is eveneens in de ganse wereld, woont en werkt ook
slechts in zichzelf en in de mens in wie de grondslag van de hel
openbaar wordt, zoals in zelfzucht en valse wil. De zichtbare wereld
heeft beide in zich, maar de mens van het tijdelijke leven is alleen uit
de zichtbare wereld. Daarom ziet hij tijdens het uiterlijke leven de
geestelijke wereld niet, want het wezen van de uiterlijke wereld is een
bedekking voor de geestelijke wereld, evenals de ziel bedekt wordt door
het lichaam. Als de uiterlijke mens echter sterft, wordt de geestelijke
wereld naar de ziel openbaar, hetzij naar het eeuwige licht bij de
heilige engelen, hetzij naar de eeuwige duisternis bij de duivelen. 43.
Leerling:
Wat is
dan toch een engel of de ziel van een mens, dat zij aldus openbaar
kunnen worden in Gods liefde of in Gods toorn? Meester:
Zij
stammen uit dezelfde oertoestand, maken deel uit van de goddelijke
wetenschap van de goddelijke wil, zijn voortgekomen uit het goddelijke
woord en vormen een weerspiegeling van de goddelijke liefde. Zij stammen
uit de bron der eeuwigheid, waaruit licht en duisternis ontspringen. De
duisternis ontstaat door het aanvaarden van de eigen begeerte, het licht
ontstaat door de eenheid met Gods wil. In het zelfzuchtige drijven van
de wil van de ziel werkt Gods wil smartelijk en is er duisternis, opdat
het licht erkend worde. Zij zijn niets anders dan een openbaring van de
goddelijke wil, óf in het licht, óf in duisternis, al naar gelang van
de eigenschap van de geestelijke wereld. 44.
Leerling:
Wat is
dan het lichaam van de mens? Meester:
Het
is de zichtbare wereld, een beeld en het wezen van alles wat de wereld
is. De zichtbare wereld is een openbaring van de innerlijke geestelijke
wereld, uit het eeuwige licht en uit de eeuwige duisternis, uit de
werken van de geest. Zij is een afspiegeling van de eeuwigheid, waarmee
de eeuwigheid zich zichtbaar heeft gemaakt, omdat de eigen wil en de
overgegeven wil onderling werkzaam zijn als boos en goed. Zulk een wezen
is ook de stoffelijke mens, daar God de stoffelijke mens uit de
stoffelijke wereld schiep en in hem de innerlijke geestelijke wereld
blies, tot een ziel en tot redelijk leven. Daarom kan de ziel in de
stoffelijke wereld het wezen van goed en kwaad aannemen en in
overeenstemming daarmee handelen. 45.
Leerling:
Wat zal
er zijn na deze wereld, als alles vergaat? Meester:
Alleen
het stoffelijke wezen houdt op te bestaan, evenals de vier elementen, de
zon, de maan en de sterren. Dan wordt de innerlijke geestelijke wereld
volkomen zichtbaar en openbaar. Wat echter in onze tijd door de geest
verricht is, hetzij boos, hetzij goed, zal zich of in het licht, of in
de duisternis afscheiden, al naar gelang van de geestelijke aard van
ieders werk, want wat uit ieders wil geboren is, keert tot zijn eigen
aard terug. Daarom wordt de duisternis hel genoemd, tot eeuwige
vergetelheid van al het goede. En het licht wordt het rijk Gods genoemd,
tot eeuwige lof en vreugde van de heiligen, opdat zij van deze pijn
verlost zullen worden. Het laatste oordeel is een ontsteken van vuur,
naar Gods liefde of Gods toorn. Daarin verteert de materie van alle
wezens en zal elk vuur het zijne, als wezen van zijn gelijksoortigheid,
tot zich trekken. Alles wat in Gods liefde is geboren, trekt Gods
liefdevuur tot zich, waarin het ook zal branden naar de aard der liefde
en waaraan het zichzelf volledig zal overgeven. Wat echter in Gods toorn
naar de duisternis is verricht, trekt smart tot zich en verteert het
boze wezen; dan blijft alleen de pijnlijke wil over in haar eigen
structuur en gestalte. 46.
Leerling:
In
welke materie of gestalte zullen onze lichamen opstaan? Meester:
Er
wordt een natuurlijk, grof en elementair lichaam gezaaid, dat in onze
tijd gelijk is aan de uiterlijke elementen. In hetzelfde grove lichaam
is de subtiele kracht, evenals in de aarde een subtiele, goede kracht
is, die op de zon gelijkt en er één mee is. Deze kracht is in de
aanvang der tijden uit de goddelijke kracht voortgekomen, waaruit ook de
goede kracht van het lichaam werd genomen. Deze goede kracht van het
sterfelijke lichaam zal in schone, doorzichtige, kristallijnen
stoffelijke eigenschap in het geestelijke vlees en bloed wederkomen en
eeuwig blijven leven. Zo ook de goede kracht der aarde, daar de aarde
dan eveneens transparant zal zijn en het goddelijke licht in alle wezens
zal stralen. Zoals de grove aarde zal verdwijnen en niet zal wederkomen,
zo ook zal het grove vlees der mensen vergaan en niet eeuwig leven. Voor
en in het oordeel moet echter alles door het vuur gescheiden worden,
beide, de aarde en de as van het menselijke lichaam. Want indien God de
geestelijke wereld nogmaals zal bewegen, zal iedere geest zijn
geestelijke wezen weder tot zich trekken. Een goede geest en ziel trekt
zijn goede wezen aan, een boze trekt zijn boze wezen aan. Hieronder moet
men echter een wezenlijke, stoffelijke kracht verstaan, daar het wezen
alleen kracht is, als een stoffelijke tinctuur, want de grofheid van
alle dingen vergaat. 47.
Leerling:
Zullen
wij dus niet met onze zichtbare lichamen opstaan en daarin eeuwig leven? Meester:
Als
de zichtbare wereld vergaat, vergaat met haar alles wat stoffelijk is
geweest en uit haar is voortgekomen. Van de wereld blijft alleen de
hemelse, kristallijnen aard en vorm over. Ook van de mens blijft alleen
de geestelijke basis over, want de mens zal volkomen gelijk zijn aan de
geestelijke wereld, die nu nog verborgen is. 48.
Leerling:
Zullen
er in het geestelijke leven ook man en vrouw zijn, kinderen of
bloedverwanten? Zullen zij zich ook samenvoegen, zoals hier geschiedt? Meester:
Wat
zijt ge toch vleselijk gezind. Er is daar man noch vrouw, maar allen
zijn gelijk aan Gods engelen, als mannelijke jonkvrouwen. Er is daar
dochter noch zoon, broeder noch zuster, maar allen van één geslacht in
Christus, allen één, zoals een boom met zijn takken, en toch
afzonderlijke schepselen, maar God is alles in allen. Er zal geestelijk
inzicht zijn in wat ieder geweest is en gedaan heeft, maar de neiging
tot zulk een bestaan zal er niet meer zijn. 49.
Leerling:
Zullen
allen gelijkelijk genieten van de eeuwige vreugde en de verheerlijking? Meester:
De
Schrift zegt: « Elk volk heeft de God die het verdient » en: « Bij de
reinen zijt ge rein, bij de verkeerden zijt ge verkeerd » (Psalm 18:26,
27). En Paulus schrijft: « De glorie van de zon is anders dan die van
de maan en de sterren, want de ene ster verschilt van de andere in
glans. Zo is het ook met de opstanding der doden » (1 Korinthe 15:41,
42). Weet, dat zij allen goddelijke kracht zullen ontvangen, maar hun
kracht en verlichting zullen volkomen ongelijk zijn, al naarmate ieder
door zijn nauwgezette arbeid met kracht geladen zal worden. Want uit de
nauwgezette arbeid van het schepsel van deze tijd wordt de goddelijke
kracht ontsloten en voortgebracht, waardoor Gods kracht beweeglijk en
werkzaam wordt. Zij die in deze tijd met de Christus hebben gewerkt en
niet naar de lust van het vlees, zullen met grote kracht en schone
verheerlijking omgeven worden. De anderen echter, die alleen op een
toegezegde genoegdoening
hebben gewacht en ondertussen de buikgod hebben gediend, maar zich
tenslotte hebben bekeerd en tot genade zijn gekomen, zullen niet zulk
een grote kracht en verlichting ontvangen. Daarom zal er tussen hen
verschil zijn als tussen zon, maan en sterren en de bloemen des velds in
hun schoonheid, kracht en deugd. 50.
Leerling:
Hoe en
door wie zal de wereld geoordeeld worden? Meester:
Door
het goddelijke oordeel, door de persoon en de geest van de Christus.
Deze zal door het woord Gods, dat mens geworden is, dat wat niet tot Hem
behoort van zich scheiden en zal in het oord waar deze wereld niet is,
zijn rijk volledig openbaren, want het goddelijke oordeel der scheiding
zal zich overal tegelijk voltrekken. 51.
Leerling:
Waarin
zullen de duivelen en alle verdoemden worden geworpen, als het gebied
dezer ganse wereld zal worden verheerlijkt tot het rijk van Christus?
Zullen zij buiten het gebied van deze wereld worden gedreven, of zal de
heerschappij van Christus zich buiten het gebied van deze wereld
voltrekken en zich openbaren? Meester:
De
hel blijft in het gebied dezer wereld tot het laatste einde, maar
verborgen voor het hemelrijk, zoals de nacht in de dag verborgen is. Het
licht zal eeuwig in de duisternis schijnen, en de duisternis kan het
niet begrijpen. Zo is het licht het rijk van de Christus, en de
duisternis is de hel, waarin de duivel en de goddelozen wonen. Aldus
worden zij door Christus' rijk overheerst en zullen ter bespotting als
voetenbank worden geplaatst. 52.
Leerling:
Hoe
zullen alle volkeren geoordeeld worden? Meester:
Het
eeuwige woord Gods, waaruit alle geestelijk geschapen leven is
voortgekomen, raakt in dat uur in liefde en toorn alle leven aan dat uit
de eeuwigheid is en plaatst het schepsel voor het oordeel van Christus.
Door deze beroering door het woord wordt het leven in al zijn werken
openbaar en zal ieder zijn eigen oordeel en gericht zien en ervaren.
Want het geoordeelde zal bij het afsterven van het menselijke lichaam
terstond aan de ziel openbaar worden. Het eindoordeel is slechts een
wederkomst van het geestelijke lichaam en een afscheid van de wereld,
daar naar het wezen van de wereld en van het lichaam het boze zal worden
gescheiden van het goede, ieder wezen in zijn eeuwige ingang en
verblijfplaats. Het is een openbaring van de verborgenheid Gods in alle
wezen en leven. 53.
Leerling:
Hoe
wordt het oordeel geveld? Meester:
Gedenk
de woorden van Christus, die tot hen die aan zijn rechterhand gezeten
zijn, zal zeggen: « Kom, gij gezegenden mijns Vaders, beërf het
koninkrijk dat u bereid is van de grondlegging der wereld. Want ik ben
hongerig geweest en gij hebt mij gespijzigd; ik ben dorstig geweest en
gij hebt mij te drinken gegeven; ik was een vreemdeling en gij hebt mij
geherbergd; ik was naakt en gij hebt mij gekleed; ik was ziek en
gevangen en gij hebt mij bezocht en zijt tot mij gekomen ». En zij
zullen Hem antwoorden: « Wanneer hebben wij u hongerig gezien, dorstig,
een vreemdeling, naakt, ziek en gevangen en hebben u aldus gediend?» De
koning zal antwoorden: « Wat gij aan een van mijn geringste broeders
hebt gedaan, dat hebt ge mij gedaan. » En tot de goddelozen aan zijn
linkerzijde zal Hij zeggen: « Ga weg van mij, gij vervloekten, in het
eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Ik ben
hongerig, dorstig, een vreemdeling, naakt, ziek en gevangen geweest en
gij hebt mij niet gediend. » En ook zij zullen Hem antwoorden en tot
Hem zeggen: « Wanneer hebben wij u aldus gezien en hebben u niet
gediend? » Dan zal Hij antwoorden: « Voorwaar, ik zeg u, wat gij een
dezer geringsten niet gedaan hebt, hebt gij ook mij niet gedaan. En zij
zullen ingaan in de eeuwige smart, maar de rechtvaardigen [zullen
ingaan] in het eeuwige leven » (Mattheus 25:4-46). 54.
Leerling:
Geliefde
Meester, zeg mij toch waarom Christus zegt: « Wat ge aan deze
geringsten hebt gedaan, dat hebt ge mij gedaan, en wat ge hun niet hebt
gedaan, hebt ge ook mij niet gedaan»? Hoe kan men Christus iets doen,
opdat het Hemzelf geschiede? Meester:
Christus
woont wezenlijk in het geloof van hen die zich volkomen aan hem
overgeven en geeft hun zijn vlees tot spijze en zijn bloed tot drank en
aldus is Hij innerlijk de grondslag van hun geloof. Daarom wordt een
christen een rank aan zijn wijnstok en wordt `christen' genoemd, omdat
Christus geestelijk in hem woont. En wat men voor zulk een christen in
zijn stoffelijke noden doet, doet men Christus zelf, die in hem woont.
Want zulk een christen behoort niet aan zichzelf, maar heeft zich
volkomen aan Christus overgegeven en is diens eigendom. Daarom geschiedt
het aan Christus zelf. Wie echter zijn handen aftrekt van zulk een in
nood verkerende christen en hem in zijn noden niet wil dienen, die stoot
Christus van zich af en veracht Hem in zijn leden. Als een arm mens, die
Christus toebehoort, u iets vraagt en ge weigert het hem in zijn nood,
dan hebt ge het Christus zelf geweigerd. En wat men zulk een christen
doet lijden, dat doet men Christus zelf aan. Als men zulk een mens
bespot, hoont, lastert en van zich afstoot, doet men dat Christus zelf
aan. Als men hem echter opneemt, spijzigt, te drinken geeft, kleedt en
in nood bijstaat, doet men het Christus en de leden van zijn eigen
lichaam. Ja, men doet het zichzelf, zo men een christen is; want in
Christus zijn wij één, zoals de boom in zijn takken. 55.
Leerling:
Hoe zal
het op de dag des oordeels gaan met hen die de arme en geringe mens
kwellen, zijn bloed uitzuigen, hem opjagen en hem met geweld tot zich
trekken en als voetveeg gebruiken, en dit alles alleen met het doel zijn
bloed in wellust, hovaardij en overdaad te verkwisten? Meester:
Zij
allen doen dit Christus zelf aan en vallen onder zijn gestrenge oordeel.
Want zo slaan zij de hand aan Christus, vervolgen Hem in zijn leden en
helpen bovendien het rijk van de duivel uit te breiden. Door deze
drijverij houden zij de arme van Christus af, zodat ook hij een
lichtzinnige weg zoekt om zijn buik te vullen. Ja, zij doen niet anders
dan de duivel zelf doet, die zonder ophouden het liefderijk van Christus
wederstaat. Allen die zich niet van ganser harte tot Christus bekeren en
Hem dienen, moeten het helse vuur in, want alleen daar wordt aldus
gehandeld. 56.
Leerling:
Hoe zal
het dan hun vergaan die in onze tijd om Christus' rijk strijden en
elkaar daarom vervolgen, schenden, smaden en belasteren? Meester:
Al
dezen hebben Christus nog niet herkend en bevinden zich pas in de
toestand waarin hemel en hel met elkaar om de overwinning strijden. Alle
opkomende hovaardij is een vorm van eigendunk, waarbij men alleen om
meningen strijdt. Wie noch geloof, noch deemoed bezit en niet in de
geest van Christus staat, is slechts met de toorn Gods gewapend en dient
de overwinning van het zelfgeschapene, het rijk van duisternis en van de
toorn Gods. Want al het zelfgeschapene zal op de dag des oordeels naar
de duisternis worden verwezen. Evenzo hun nutteloze getwist, dat hen
niet de liefde doet zoeken, maar alleen zichzelf, teneinde zich op hun
meningen te laten voorstaan, en waardoor zij de vorsten met dergelijke
waandenkbeelden aansporen tot oorlog en met hun hersenschimmen land en
volk bestormen en verwoesten. Al dezen worden door het oordeel
gescheiden, het boze van het rechtvaardige. Dan zullen alle denkbeelden
en meningen ophouden te bestaan en alle kinderen Gods zullen in de
liefde van Christus wandelen en Hij in ons. Alles wat in deze tijd van
strijd niet in de geest van Christus ijvert en niet alleen de liefde
tracht te vergroten, maar eigen voordeel in de strijd zoekt, is van de
duivel en behoort in de duisternis en zal van Christus worden
gescheiden. Want in de hemel dient een ieder in deemoed God, zijn
Schepper. 57.
Leerling:
Waarom
laat God dan in deze tijd toe dat er een dergelijke strijd bestaat? Meester:
Het
leven bestaat uit strijd, opdat het zich zal openbaren, opdat het tot
ervaring zal voeren en opdat tenslotte de wijsheid herkend zal worden en
tot eeuwige vreugde van de overwinning zal dienen. Want in de
heiligen-in-Christus zal grote lof oprijzen, doordat Christus in hen de
duisternis en alle eigenschappen van de natuur overwonnen heeft en zij
van de strijd verlost zijn. Zij zullen zich eeuwig verheugen als zij
zullen bemerken hoe het de goddelozen vergolden wordt. Zo laat God alles
in vrije wil bestaan, opdat de eeuwige heerschappij naar liefde en
toorn, naar licht en duisternis, zich openbare en herkend worde en opdat
ieder leven in zichzelf zijn oordeel zal veroorzaken en verwekken. Want
wat nu de heiligen, in hun ellende, tot strijd en pijn is, zal in grote
vreugde veranderd worden, en wat de goddelozen in deze wereld tot lust
en vreugde is, zal tot eeuwige pijn en schande verkeren. Daarom moet de
vreugde van de heiligen uit de dood ontstaan, gelijk het licht van de
kaars ontstaat door het sterven en verteren in het vuur, opdat aldus het
leven vrij zal komen van de smart der natuur en een andere wereld zal
bezitten. Evenals het licht een volkomen andere eigenschap bezit dan het
vuur en zichzelf wegschenkt, terwijl het vuur zichzelf neemt en
verteert, aldus zal ook het heilige leven der zachtmoedigheid opwassen
uit de dood, daar de eigen wil sterft en alleen de liefdewil van God
alles in allen regeert en werkt. Want alzo heeft het eeuwige al wat
lijdt en verdeeld is aangenomen en zich door de dood wederom in het
grote vreugderijk gevoegd, opdat er een eeuwig spel in de oneindige
eenheid zou zijn en een eeuwige reden tot het vreugderijk. Zo moet nu de
smart basis en oorzaak van deze bewogenheid zijn. En hierin ligt het
mysterie van de verborgen wijsheid Gods. Wie bidt, ontvangt; wie zoekt,
vindt; en wie klopt, die zal worden opengedaan. De genade van onze Heer
Jezus Christus, de liefde Gods en de gemeenschap met de Heilige Geest
zij met ons allen. Amen. Dank
de Heer, want ge zijt nu genaderd tot
de berg Sion, tot
de stad van de levende God, tot het hemelse Jeruzalem, tot
myriaden engelen, één feestelijke schare, tot de Ekklesia van de
eerstgeborenen, die opgeschreven staan
in de hemelen, en tot God, de rechter over allen, tot de geesten der tot
volmaking gekomen rechtvaardigen, en
tot Jezus, de Middelaar van een nieuw verbond, wiens vergoten bloed van
iets beters spreekt dan dat van
Abel. (Hebreeën
12: 22-23) Aan
Hem die op de troon gezeten is, en aan het Lam, zij
lof, eer, glorie en kracht, tot in alle eeuwigheid. (Openbaring
5:13) |
Pagina voor het laatst bewerkt op: 15/04/2005